Zoeken in GGD Amsterdam
Pad tot huidige pagina
Verbergen
De GGD richt zich op alle inwoners van Amsterdam,­ Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn.

Toelichting en verantwoording

12 mei 2017

Zijn de verschillen statistisch getoetst?

Op deze website staat geen informatie over statistische significantie van verschillen. U kunt dus niet zien of een gevonden verschil daadwerkelijk bestaat of mogelijk op toeval berust. Daarbij is het goed om te weten dat een eventuele toe- of afname van een gezondheidsuitkomst ook het gevolg kan zijn van verschillen in werkwijzen en meetinstrumenten over de tijd. In de rapporten van de Amsterdamse gezondheidsmonitor vindt u meer informatie over de significantie van gevonden verschillen.

Zijn de gegevens representatief voor Amsterdam en de stadsdelen?

Voor Gezondheid in Beeld worden alleen gegevens meegenomen van kinderen die in Amsterdam wonen. De verzamelde gegevens van de oudervragenlijsten en de gegevens uit het digitaal dossier van de jeugdgezondheidszorg worden gewogen. De richtlijn van GGD Nederland wordt gebruikt als uitgangspunt voor het wegen.1 Er wordt gewogen naar de achtergrondkenmerken geslacht, leeftijd, etniciteit en sociaal-economische status. We gebruiken hiervoor de bevolkingssamentelling in het jaar van de dataverzameling (Onderzoek, Informatie en Statistiek, gemeente Amsterdam) en de statsusscores voor alle postcodegebieden (afkomstig van het Sociaal en Cultureel Planbureau).

Voor het voortgezet onderwijs is het niet nodig de resultaten te wegen, omdat de respons hoog is. Bij een hoge respons is er reeds een hoge mate van representativiteit van de onderzoekspopulatie ten opzichte van de gehele stad.

  1. Brink C van den, Uitenbroek D, Brink M van den, Boer E de, Hajema K, Schipper M. Richtlijn wegen voor GGD-epidemiologen. Utrecht: GGD Nederland, 2009.

Hoe worden stadsdelen, gebieden en stadsdeelwijken bepaald?

De indeling van de Amsterdamse jeugd naar stadsdeel, gebied en wijk vindt plaats op basis van de postcode van het woonadres. De richtlijnen van de gemeente Amsterdam worden gebruikt voor de indeling van de jeugd naar stadsdeel. (1) De stad Amsterdam is opgedeeld in 7 stadsdelen: Noord, Oost, Zuidoost, Zuid, Centrum, West en Nieuw-West. Voor de indeling naar gebied wordt gebruik gemaakt van indeling in 22 gebieden voor het Sociaal Domein zoals vastgesteld door B&W in 2014 (2). De indeling naar 99 wijken is zoals vastgesteld door B&W in 2015.

  1. Bureau Onderzoek en Statistiek Amsterdam. De gemeente Amsterdam verdeeld in 8 stadsdelen en 97 buurtcombinaties, 1 januari 2012 ( Amsterdam stadsdelen en buurtcombinaties (GIF, 382 kB))
  2. B&W. Vaststellen geografische gebiedsindeling voor gebiedsgericht werken binnen de gemeente Amsterdam. Zie flap College van B&W d.d. 28 januari 2014 (PDF, 44 kB). Zie Plattegronden buurtcombinaties (PPT, 1.8 MB).
  3. B&W. Wijziging statistische buurtindeling van Amsterdam per 1 januari 2015. Zie flap College van B&W d.d. 9 juni 2015 (PDF, 5.4 MB). Zie gebiedsindeling Amsterdam.

Hoe is etnische herkomst bepaald?

De etniciteit van de Amsterdamse jeugd wordt gebaseerd op het geboorteland van het kind zelf, de vader en de moeder. De richtlijnen van het CBS worden gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van de etnische herkomst. Als minimaal één van beide ouders in het buitenland geboren is dan is het kind van niet-Nederlandse afkomst.

De etnische herkomst van de Amsterdamse jeugd is verdeeld in de volgende 3 categorieën:

  • Nederlands
  • Westerse herkomst
  • Niet-westerse herkomst

Toelichting:
Nederlands, autochtoon: Persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar men zelf is geboren.

Westerse herkomst: Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, of Indonesië of Japan. Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

Niet-westerse herkomst: Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije. Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

Zie ook:
Centraal Bureau voor de Statistiek. Standaarddefinitie allochtonen. Den Haag/Heerlen: CBS, 2000.
Centraal Bureau voor de Statistiek. Standaardindeling westerse en niet-westerse allochtonen. Den Haag/Heerlen: CBS, 2000.

Hoe is het opleidingsniveau van de ouder(s) bepaald?

De richtlijnen van het CBS worden gebruikt als uitgangspunt voor het bepalen van het opleidingsniveau van de ouder(s).1 Hierbij is het hoogste opleidingsniveau binnen het gezin bepalend.

Het opleidingsniveau van de ouders van de Amsterdamse jeugd wordt verdeeld in de volgende 4 categorieën:

  • - laag (geen opleiding, basisonderwijs)
  • - midden-laag (lager voortgezet onderwijs: VMBO, LBO, VBO, MAVO)
  • - midden-hoog (hoger voortgezet onderwijs: MBO, HAVO, VWO)
  • - hoog (HBO, universiteit)

1 Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 2000. Den Haag/Heerlen: CBS: 2000.

Hoe is de sociaal-economische status bepaald?

De sociaal-economische status van de Amsterdamse jeugd wordt bepaald met behulp van de statusscore van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). De statusscore is een maat voor de sociale status van een wijk (afgebakend door de vier cijfers van de postcode) in vergelijking met andere wijken in Nederland1. De sociale status van een wijk is afgeleid van een aantal kenmerken van de mensen die er wonen, zoals hun opleiding, het inkomen en de positie op de arbeidsmarkt.

De sociale status van de wijk waarin de Amsterdamse jeugdige woont, wordt bepaald in verhouding met andere Amsterdamse wijken. De jeugdigen worden op basis van hun postcode in één van de vijf onderstaande categorieën ingedeeld (alle groepen bevatten ongeveer 20% van de Amsterdamse jeugd):

  • zeer lage ses
  • lage ses
  • gemiddelde ses
  • hoge ses
  • zeer hoge ses

Sociaal Cultureel Planbureau. Onderzoeksgroep Wonen, leefbaarheid en Veiligheid. http://www.scp.nl/Formulieren/Statusscores_opvragen

Wat betekent een (matig) verhoogde SDQ-score?

De SDQ-totaalscore geeft aan in hoeverre een kind sociaal-emotionele problemen heeft. Een matig verhoogde SDQ-totaalscore betekent dat een kind/jongere een verhoogd risico heeft op sociaal-emotionele problemen. Bij een verhoogde SDQ-totaalscore zijn er vrijwel zeker sociaal-emotionele problemen aanwezig. Aan de hand van 5 subschalen kan vervolgens gekeken worden op welk gebied de problemen zich voordoen en of er sterke kanten zijn.

Download hier de SDQ uitleg (PDF, 112 kB)

Hoe wordt de gewichtsklasse bepaald?

Of iemand ondergewicht, een gezond gewicht, overgewicht of obesitas heeft wordt bepaald met behulp van de BMI. BMI staat voor body mass index en wordt berekend door het gewicht te delen door de lengte in het kwadraat (BMI = gewicht / lengte * lengte). Voor volwassenen betekent een BMI van 25 of hoger dat er sprake is van overgewicht en een BMI van 30 of meer dat er sprake is van obesitas (een ernstige vorm van overgewicht). Voor de jeugd zijn de BMI-afkapwaarden afhankelijk van de leeftijd en het geslacht. De gewichtsklasse van de Amsterdamse jeugd wordt bepaald met speciaal voor de jeugd ontwikkelde internationale afkapwaarden1,2.

N.B. De gewichtsklasse ‘ondergewicht’ bestaat uit kinderen met a) matig ondergewicht en b) ernstig ondergewicht. Of het hebben van matig ondergewicht (veruit het grootste deel van de groep) gezondheidsrisico’s heeft, is niet bewezen. De kinderen met matig ondergewicht zijn aan de lichte kant, maar ze worden door jeugdgezondheidszorg beschouwd als kinderen met een gezond gewicht zolang er geen aanwijzingen voor zorgen zijn over hun gewicht en gezondheid.

  1. Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM, Dietz WH. Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ, 2000, 320: 1-6.
  2. Cole TJ, Flegal KM, Nicholls D, Jackson AA. Body mass index cut offs to define thinness in children and adolescents: international study. BMJ, 2007, 335: 194-201.

Wijziging meetinstrument Voortgezet Onderwijs

De cijfers van de 13-14- en 15-16-jarigen zijn verzameld via een digitale vragenlijst in de 2e en 4e klas van het voortgezet onderwijs. Voorheen werd hier een andere vragenlijst gebruikt. Door verschillen in vraagstelling kan er geen eventuele trend ten opzichte van eerdere jaren worden gepresenteerd voor het voortgezet onderwijs.

Hoe wordt het hebben van een eetstoornis gemeten?

Jongeren vullen een vragenlijst (SCOFF) in. SCOFF is een eenvoudig en doeltreffend instrument om eetstoornissen op te sporen. Leerlingen die hoog storen op deze vragenlijst hebben symptomen die wijzen op een eetstoornis.