Zoeken in GGD Amsterdam
Pad tot huidige pagina
Verbergen
De GGD richt zich op alle inwoners van Amsterdam,­ Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn.

Digitale Nieuwsbrief Homocohort #3

Digitale Nieuwsbrief Homocohort #3

Onderwerp

Digitale Nieuwsbrief #3

Afbeelding

Beste deelnemer,

Hierbij ontvangt u de derde digitale nieuwsbrief van het homocohort.

In deze nieuwsbrief krijgt u een korte samenvatting van de presentaties van de 2-jaarlijkse deelnemersbijeenkomst die op 23 oktober 2014 plaatsvond op de bovenste verdieping van de GGD op de nieuwe Achtergracht. Het uitzicht was mooi, de sfeer was goed en de opkomst was, met ongeveer 80 deelnemers, nog groter dan twee jaar geleden.

We wensen u veel leesplezier en natuurlijk fijne feestdagen en een voorspoedig en gezond 2015!

Inhoud

  • De Amsterdam Cohort Studies; 30-jarig bestaan
  • De Amsterdam Cohort Studies; Trends en ontwikkelingen in hiv, soa en gedrag
  • Anogenitale HPV infecties bij mannen die seks hebben met mannen: hoe vaak komt het voor en wat betekent het?
  • Viral sorting: hoe veilig is het voor mannenseks
  • Bloedafname voor onderzoek: zeer waardevol
  • Colofon

De Amsterdam Cohort Studies; 30-jarig bestaan

Maria Prins

De Amsterdam Cohort Studie (ACS) onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) werd in 1984 opgezet om onderzoek te doen naar het voorkomen van hiv en AIDS en de risicofactoren, het natuurlijk beloop, de wijze van ontstaan en de ontwikkeling van hiv-1-infectie, en de effecten van interventies. De laatste jaren wordt er ook onderzoek gedaan naar de epidemiologie en het natuurlijk beloop van andere bloed- en seksueel overdraagbare aandoeningen.

De ACS bestaat inmiddels dus 30 jaar! De gegevens die over de afgelopen 30 jaar zijn verzameld worden onder andere gebruikt om inzicht te krijgen in trends over de tijd. Dit is belangrijk om tijdig te signaleren of er belangrijke veranderingen plaatsvinden zodat hierop geanticipeerd kan worden of verder onderzoek gedaan kan worden.

De toekomst van de ACS

In januari 2013 is de ACS, op verzoek van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), beoordeeld door een team van internationale experts, op het belang voor de wetenschap en de publieke gezondheid. Voor deze beoordeling hadden de onderzoeksgroepen die aan de cohorten werken vanuit UMCU (Universitair Medisch Centrum Utrecht), AMC (Academisch Medisch Centrum van Amsterdam) en GGD (Geneeskundige en Gezondheidsdienst) Amsterdam een rapport geschreven over de ontwikkeling van het cohort en de plannen voor de komende jaren. In dit rapport is opgenomen dat in de komende vier jaar, 2014-2018, onderzoek gedaan zal worden naar:

  1. De veranderingen in de hiv epidemie, bijvoorbeeld door drugsgebruik of het invoeren van nieuwe interventies zoals pre-expositie profylaxe (PrEP) of vroege behandeling van hiv-positieve personen (treatment as prevention)
  2. Behandelde hiv-positieve populatie
  3. Hiernaast zal er met behulp van nieuwe technologie gekeken worden naar het menselijk afweersysteem en ziekteverloop bij het krijgen van hiv
  4. Andere seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en co-infecties.

Ook was in het toekomstrapport opgenomen dat we, op basis van de ontwikkelingen in het veld, het homocohort willen uitbreiden en het cohort onder druggebruikers willen afslanken.

In de zeer positieve beoordeling van de internationale commissie over de ACS werden de volgende belangrijke punten genoemd:

  • De Amsterdamse Cohort Studies zijn uniek en internationaal gezien zeer belangrijk
  • Vooral het homocohort van hiv-negatieve deelnemers en de lange follow-up zijn van grote waarde
  • De wetenschappelijke onderzoeksresultaten zijn van hoge kwaliteit
  • Met de huidige opzet zijn de belangrijke toekomstige vragen uitstekend te beantwoorden
  • Zoals voorgesteld door de onderzoeksgroep, is het advies de groep hiv negatieve deelnemers aan het homocohort uit te breiden
  • Het advies aan het RIVM, de subsidieverstrekker, is de financiering voort te zetten.

Op basis hiervan heeft het RIVM de financiering voortgezet en hebben de cohort studies haar 30 jarig bestaan beleefd in oktober 2014. Dit is echt heel bijzonder.

Nederlandse HIV conferentie

Naar aanleiding van het 30-jarig bestaan van de ACS vond op de jaarlijkse Nederlandse HIV conferentie (NCHIV) op 18 november 2014 in het gebouw van het Koninklijk Instituut voor de Tropen een rondetafeldiscussie over de ACS plaats. Hieraan deden onder andere Maria Prins, hoofd afdeling onderzoek (Infectieziekten), voormalig GGD directeur Roel Coutinho en een deelnemer van het homocohort mee. Tijdens deze discussie werd teruggeblikt op de bijdrage van de ACS aan de kennis over hiv in de afgelopen 30 jaar. Daarnaast werd er gediscussieerd over de toekomstplannen van de ACS, knelpunten uit het verleden en verbeterpunten voor de toekomst.

Bedankt!

Het lange bestaan van de ACS was niet mogelijk geweest zonder de inzet van alle deelnemers, die elke zes maanden opnieuw de gang naar de Nieuwe Achtergracht maken voor een cohortbezoek. De lange en geregelde deelname van cohort deelnemers is en blijft de kern van het succes. Zonder jullie bijdrage was al dit onderzoek niet mogelijk geweest, waarvoor dank!!!

De Amsterdam Cohort Studies; trends en ontwikkelingen in hiv, soa en gedrag

Ineke Stolte

ACS op dit moment

In totaal hebben 2553 mannen die seks hebben met mannen (MSM) ooit deelgenomen aan de Amsterdamse Cohort Studies (ACS); op dit moment zijn er 664 actieve deelnemers. Het merendeel is hiv-negatief (543 mannen) en een klein deel hiv-positief (121 mannen). De gemiddelde leeftijd is 41 jaar, de meerderheid is hoog opgeleid en heeft de Nederlandse nationaliteit. Gemiddeld zitten deelnemers 10 jaar in de ACS, maar dit varieert van net nieuw geïncludeerde deelnemers tot deelnemers die al vanaf de start van de ACS in de studie zitten. De laatste jaren zien we dat de gemiddelde leeftijd van de deelnemers toeneemt; in 2000 lag de gemiddelde leeftijd nog rond de 30 jaar en inmiddels is dit dus 41 jaar. Dit is aanleiding geweest om sinds begin 2013 actief jonge mannen te werven, zodat de deelnemers van de ACS, in elk geval wat betreft leeftijd, een afspiegeling vormen van de MSM populatie in Amsterdam.

Trends in hiv, soa en gedrag

Vanaf het begin van de hiv epidemie was het belangrijk om inzicht te hebben in het aantal nieuwe hiv infecties (incidentie). De ACS is een van de weinige cohorten die dit nog kunnen bestuderen. Wat we zien is dat de hiv-incidentie sinds het begin van de hiv epidemie sterk daalde tot halverwege de jaren negentig, toen effectieve therapie beschikbaar kwam (figuur 1). Dit werd gevolgd door een stijging van de hiv-incidentie tot ongeveer 2006, waarna de incidentie langzaamaan weer omlaag ging. Op het moment ligt de incidentie rond de 0,4/100 persoonsjaren. Met de huidige 600 deelnemers per jaar (600 persoonsjaren) betekent dit dat ongeveer twee deelnemers van de ACS per jaar met hiv geïnfecteerd worden.

Figuur 1: hiv incidentie onder mannen die seks hebben met mannen (MSM)

Wat betreft gedrag zien we tot ongeveer 2006 vergelijkbare trends in onbeschermde anale seks met losse partners; een sterke daling in het begin van de hiv epidemie gevolgd door een stijging na de introductie van effectieve therapie. Maar, hoewel de incidentie van hiv lijkt te dalen in recente jaren, zet de stijging in onbeschermde anale seks met losse partners door.

Naast hiv hebben we ook naar hepatitis C virus (HCV) infectie gekeken in de ACS. Dit bleek met name onder de hiv-positieve deelnemers van de ACS een probleem. Voor 2000 kwamen nieuwe HCV-infecties nauwelijks voor, waarna er een sterke toename was tot ongeveer 2006. Op dit moment lijkt de HCV epidemie onder hiv-positieve deelnemers gestabiliseerd te zijn rond de 10/1000 persoonsjaren. Onder hiv-negatieve deelnemers van de ACS komen nieuwe HCV infecties nauwelijks voor.

Sinds 2008 worden alle deelnemers van de ACS gescreend op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa). Het percentage MSM dat een positieve soa uitslag krijgt binnen het cohort is redelijk constant (rond de 8,5%). Een soa diagnose komt vaker voor onder hiv-positieve deelnemers dan onder hiv-negatieve deelnemers.

Om te begrijpen waarom trends veranderen, wat risicofactoren voor hiv en soa zijn, of deze verschillen voor hiv-positieve en hiv-negatieve MSM, en wat (psychosociale) redenen zijn voor bepaald gedrag, wordt veel onderzoek gedaan. Hiervoor wordt vaak gebruik gemaakt van de aanvullende informatie die verzameld wordt door middel van de uitgebreide vragenlijsten die elk half jaar ingevuld worden.

Anogenitale HPV infecties bij mannen die seks hebben met mannen: hoe vaak komt het voor en wat betekent het?

Maarten Schim van der Loeff

Humaan papillomavirus (HPV)

Bijna iedereen heeft in zijn jeugd wel wratten gehad, aan vingers of voeten. Die wratten worden veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV). Ook wratten aan de geslachtsdelen worden veroorzaakt door HPV. Er zijn ongeveer 200 verschillende HPV types bekend. De types die de geslachtsdelen besmetten worden onderverdeeld in laag-risico en hoog-risico types. De laag-risico types veroorzaken genitale wratten. De hoog-risico types (o.a. HPV-16) kunnen, als de besmetting lang blijft bestaan, kanker veroorzaken. b.v. baarmoederhalskanker. HPV kan echter ook peniskanker en anuskanker veroorzaken.

H2M-studie

Omdat er nog weinig bekend is over infecties met HPV bij mannen en over de rol van hiv, is de GGD in 2010, in samenwerking met RIVM en Jan van Goyen, een onderzoek gestart naar de frequentie van HPV infecties bij MSM (de H2M studie). We wilden weten hoe vaak die infecties voorkwamen en hoe snel het lichaam de infecties weer opruimt. Tussen 2010 en 2013 hebben bijna 800 mannen (vooral mannen van het homo cohort, maar ook mannen die bij Jan van Goyen of bij de soa poli liepen) meegedaan aan deze studie, waarbij de deelnemers zelf met wattenstokjes monsters afnamen van de anus en de buitenkant van de penis.

HPV kwam veel voor. Zo was 22% van de hiv-positieve MSM met HPV-16 geïnfecteerd, en 13% van de hiv-negatieve mannen. Ook de andere hoog-risico types kwamen veel voor (Figuur 2). Er is ook gekeken hoe vaak mannen een nieuwe infectie opliepen. Bij 100 hiv-negatieve mannen treden in één jaar 6 nieuwe HPV-16 infecties op; bij 100 hiv-positieve mannen in één jaar 11 nieuwe HPV-16 infecties. Hiv-positieve mannen bleken een 60% hogere kans te hebben dan hiv-negatieve mannen om een hoog-risico infectie op te lopen. Bovendien bleek dat HPV infecties bij hiv-positieve mannen minder snel werden opgeruimd door het lichaam.

Figuur 2. De frequentie van hoog-risico HPV infecties bij homo mannen in Amsterdam, naar hiv status. De figuur geeft de frequenties voor 12 hoog-risicotypes. Voor alle types geldt dat de infectie vaker voorkomt bij hiv-positieve mannen. HPV-16 is het type met het hoogste risico en het komt veel voor, maar andere types (zoals 31, 51 en 52) komen ook veel voor: bij bijna een kwart van de hiv-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM) en bij 5 à 10% van de hiv-negatieve mannen.

Vervolgonderzoek

De H2M studie bestudeerde HPV infecties over een totale periode van 24 maanden; dat is eigenlijk te kort om vast te stellen bij welke percentage mannen een HPV infectie echt vanzelf verdwijnt. Daarom willen we nu doorgaan met het verzamelen van monsters van penis en anus.

Bij seks kan een met HPV geïnfecteerde penis de anus van de partner besmetten. Het is eigenlijk onbekend wáár op de penis de HPV infectie zich vooral bevindt. Daarom willen we een aantal mannen vragen deel te nemen aan een studie waarbij we de penis met een vergrootglas bekijken en van de buitenkant van de penis met wattenstaafjes opnieuw monsters nemen (dit is een pijnloos onderzoek). Dat kan ons veel leren over de besmettingskans van HPV.

HPV vaccinatie

Tot slot: er zijn twee vaccins tegen HPV op de markt. Eén van die twee (Gardasil) is getest in mannen, ook in mannen die seks hebben met mannen, en is effectief gebleken tegen door HPV veroorzaakte anale afwijkingen. Dat vaccin is echter tot nu toe alleen getest in jonge mannen (≤26 jaar) met weinig seks partners (≤5). Het is dus niet bekend of dit vaccin ook werkzaam is in oudere mannen, of in mannen die al veel seks partners hebben gehad, of in hiv-positieve mannen. Op dit moment zijn er geen concrete plannen, maar we zouden graag een vaccinatiestudie doen om dat uit te zoeken. Muziek voor de toekomst!

Viral sorting – hoe veilig is het voor mannenseks?

Udi Davidovich

Zwitsers standpunt

Begin 2008 kwam de Zwitserse commissie voor aidsbeleid (EKAF) met het standpunt dat succesvol behandelde hiv-positieve mensen het virus seksueel praktisch niet meer kunnen overdragen mits ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • De viral load van hiv-positieve partner is in ieder geval de laatste zes maanden ondetecteerbaar (onmeetbare hoeveelheid virus);
  • De hiv-positieve partner is therapietrouw en wordt regelmatig gecontroleerd;
  • Beide partners hebben geen andere soa (besmettelijkheid van hiv neemt toe bij het hebben van een soa).

Dit betekent dat volgens het Zwitserse standpunt serodiscordante stellen (de ene partner heeft hiv en de andere niet) met een monogame relatie, van wie dus geen van beiden risico op soa heeft, kunnen besluiten om het condoom achterwege te laten.

Internationale discussie

Toen dit advies, dat bedoeld was voor artsen die hiv-positieve patiënten onder behandeling hebben, in het nieuws kwam, ontstond een internationale discussie. De data waarop het Zwitserse standpunt is gebaseerd is namelijk bijna uitsluitend afkomstig van heteroseksuele paren en betroffen vooral over vaginale seks. Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar anale seks tussen mannen die seks hebben met mannen (MSM) en zeker niet in het kader van een niet-monogame relatie waarbij mensen ook een reële kans hebben op het oplopen van andere soa.

De Partner-Studie

Om dit beter te onderzoeken vindt momenteel een grote studie plaats in 75 Europese steden (inclusief Amsterdam): de ‘Partner-Studie’. De studie onderzoekt hiv-overdracht binnen serodiscordante stellen, waaronder ook een grote groep MSM. De studie is drie jaar geleden gestart en zal nog drie jaar doorgaan. Deelnemers aan deze studie:

  • Zijn serodiscordante partners (hetero- of homoseksuele stellen)
  • Kennen de hiv-status van hun partner
  • Hebben onbeschermde seks met elkaar
  • De hiv-negatieve partner gebruikt geen PEP of PrEP (Post/Pre-expositie profylaxe)
  • Viral load is onmeetbaar gedurende de afgelopen 12 maanden

Resultaten

Het onderzoek heeft op dit moment meer dan 16.400 momenten van onbeschermd anale seks bestudeerd van 282 homoseksuele stellen. Daarvan was 70% passief anale seks, 40% passief anale seks met klaarkomen en 30% alleen actief anale seks. Onder de participanten had 16% van de negatieve partners een soa en 34% had ook seks met anderen zonder condoom; van de hiv-positieve partners was 2% niet therapietrouw (d.w.z. langer dan 4 dagen achter elkaar geen pillen geslikt). In geval van een gedocumenteerde nieuwe hiv transmissie werd er ook gekeken met behulp van DNA technologie of de vaste partner de bron was.

De resultaten waren glashelder: er waren geen partner-gelinkte transmissies binnen de studie, dus géén transmissie bij onbeschermd anale seks binnen de discordante relatie. Dit terwijl de verwachting was bij dit aantal seksuele contacten dat er 86 infecties zouden zijn als de partner geen hiv-remmers zou gebruiken. Wel hebben de onderzoekers duidelijk aangegeven dat de conclusies op grond van de huidige beperkte hoeveelheid data niet 100% zeker zijn: er is dus een foutmarge bij de bevindingen. Op basis van deze foutmarge zou er toch een kans zijn op hiv-transmissie, namelijk maximaal 1% (1 op de 100 stellen) bij actieve onbeschermd anale seks en 4% (4 op de 100) bij passieve onbeschermde anale seks. Berekend over een periode van 10 jaar zal maximaal 10 op de 100 stellen een kans hebben op hiv transmissie van de ene naar de andere partner door onbeschermd actieve anale seks en 32 op de 100 stellen door onbeschermd passieve anale seks.

Conclusies

  • Tot op heden hebben er in de Partner-Studie geen hiv-transmissies plaatsgevonden door anale seks zonder condoom bij serodiscordante homostellen wanneer de partner onmeetbare viral load heeft. Dit ondanks het feit dat er veel soa voorkwamen en deelnemers meerdere partners hadden.
  • Hoewel de onderzoekers vermoeden dat de kans op hiv-transmissie zeer laag zal blijven, moeten er meer gegevens worden verzameld om betrouwbare conclusies te kunnen trekken.
  • De eindresultaten van de Partner-Studie worden in 2017 verwacht.

Bloedafname voor onderzoek: zeer waardevol!

Neeltje Kootstra (experimentele immunologie, AMC)

De Amsterdamse Cohort Studies naar hiv infectie zijn in 1984 gestart. Als onderdeel van deze studie is er vanaf de start ook materiaal van de deelnemers afgenomen voor toekomstig onderzoek. Dit materiaal, serum/plasma en witte bloedcellen, wordt opgeslagen en beheerd door de laboratoria van het AMC. Uiteindelijk heeft dit geleidt tot een unieke biobank bestaande uit longitudinaal verzameld materiaal van zowel hiv-negatieve als hiv-positieve deelnemers.

Het opgeslagen materiaal wordt gebruikt voor onderzoek en met behulp van nieuwe technologisch mogelijkheden kan men in het historisch materiaal een beter inzicht krijgen in het verloop van de ziekte en de interactie tussen het virus, het immuunsysteem en de gastheer. Verder biedt de biobank een unieke mogelijkheid om factoren die van belang zijn voor de gezondheid van behandelde hiv-geïnfecteerde mensen te onderzoeken.

Colofon

Redactie

  • Marc van Wijk
  • Janneke Bil

Auteurs

  • Maria Prins
  • Ineke Stolte
  • Maarten Schim van der Loeff
  • Udi Davidovich
  • Neeltje Kootstra

Afmelden nieuwsbrief via info-homocohort@ggd.amsterdam.nl

Afbeelding

Lijst