Zoeken in GGD Amsterdam
Pad tot huidige pagina
Verbergen
De GGD richt zich op alle inwoners van Amsterdam,­ Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn.

'Heb je de laatste tijd nog aan de dood gedacht?' Een schets uit de praktijk van casemanagement

17 december 2015

Casemanagement voor suïcidepogers – wat houdt dat in?

Elk jaar belanden in Nederland circa 15.000 mensen na een zelfmoordpoging op de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis. Monique van Raan ziet een klein deel van hen. Ze benadert de suïcidepogers via twee ziekenhuizen waarmee de GGD afspraken heeft: OLVG West (het vroegere Sint Lucas Andreas Ziekenhuis) en OLVG Oost (het OLVG zoals we dat kenden).

Het doel is de groep die nog niet in zorg is, een half jaar te volgen, te ondersteunen en met gesprekken te begeleiden naar passende hulp.

Casemanagement betekent voor velen een waardevolle steun. De hulpverlening rond suïcidaliteit zou echter beter kunnen. En de houding van de omgeving opener. Een schets uit de praktijk van Monique van Raan in tien vragen.

1.  Hoeveel mensen heb je dit jaar begeleid na een zelfmoordpoging?

Tot eind november heb ik 146 meldingen van het OLVG en het SLAZ gekregen. Van deze mensen waren 78 personen nog niet in zorg, dus dit zijn de mensen die zijn benaderd. Acht van hen gaven bij voorbaat aan niet mee te willen doen. Dit betekent dat we iets minder weigeraars hebben dan vorige jaren. Daar zijn we blij mee.

2.  Wat kunnen redenen zijn om hulp te weigeren?

Schaamte, te veel gedoe, angst om herkend te worden, angst voor een stigma. Daarbij moet gezegd dat het vaak om impulsieve daden gaat. De meeste mensen die een zelfmoordpoging doen, willen niet dood. Ze willen een einde aan de situatie waar ze in zitten, even rust in hun hoofd. Pas op de spoedeisende hulp realiseren ze zich hoe ver ze zijn gegaan. Oh, denken ze dan, wat heb ik gedaan?

3.  Binnen tien dagen na de poging bel je ze op. Staan ze dan nog open voor hulp?

‘Dit is het moeilijkste deel: ze ook echt te pakken krijgen. Tegenwoordig wisselen mensen vaak van mobiel nummer. Sommigen willen ook de telefoon niet opnemen als ze een onbekend nummer zien, bijvoorbeeld omdat ze op de vlucht zijn voor instanties. Via de huisarts probeer ik in zulke gevallen meer te weten te komen en een ingang te vinden. Als het moet, ga ik ’s avonds gewoon langs. Ik ben vasthoudend, zelfs als mensen zich onaardig gedragen, wat nog weleens gebeurt. Alleen als ik merk dat iemand helemaal niet (meer) gemotiveerd is voor hulpverlening, stop ik ermee, trouwens altijd in overleg met de huisarts.

4.  Welk soort mensen kom je tegen?

‘Het profiel is in de drie jaar dat ik dit doe vrij stabiel gebleven. In Amsterdam West vormen jonge, niet-westerse allochtonen de voornaamste risicogroep. Ze komen vaak uit grote gezinnen, hebben één been in de traditie, één in de westerse cultuur, voelen zich nergens echt opgenomen. Je kunt je er iets bij voorstellen. Laag zelfbeeld, slechte prestaties. Veel problemen hebben te maken met conflicten in de huiselijke en relationele sfeer.’

‘Het zijn alleenstaande mannen tussen 40 en 60 die het vaakst daadwerkelijk uit het leven stappen. Bij de mensen die ik zie, is er niet altijd een echte doodswens. Ze vinden het alleen een ondraaglijk idee om op dezelfde manier door te moeten leven. De gedachte daaraan lijkt dan erger dan de gedachte aan de dood.’

5.  Hoe kun je hen helpen?

‘Als ik vraag wat ze nodig hebben om zich minder somber te voelen, zijn het soms heel concrete dingen. Een huis, een baan, dat ruzies ophouden en dat er geen schulden meer zijn. Ik kan al die dingen niet voor hen regelen, uiteraard. Wat ik wel kan doen is naast hen gaan staan, tips geven, proberen hen te stimuleren, bespreken welke gedachten zij hebben over de toekomst en de hulp die ze daarbij nodig hebben. Je voelt soms dat je alleen al door vragen te stellen als “Wilt u dood of wilt u leven? “ mensen op een ander spoor kunt zetten. Dit kan een spiraal van negativiteit en wanhoop doorbreken en wat lucht geven. De gedachte: hé misschien valt het mee. Misschien zijn mijn problemen op te lossen!’

6.  Werkt het ook weleens niet?

‘Het is drie keer voorgekomen dat ik iemand terugzag na een nieuwe zelfmoordpoging. Dat is droevig, natuurlijk, je wilt het liever niet, maar ik zie het niet als falen. Ik weet dat ik alles heb gedaan wat in mijn vermogen ligt. Terugval hoort er ook bij, niet alles lukt in één keer. Ik begeleid die mensen gewoon weer opnieuw.’

7.  Wat vinden de huisartsen van het casemanagement?

‘De huisartsen die ik spreek, zijn ze er heel blij mee. Zij krijgen van het ziekenhuis een melding van de zelfmoordpoging, maar benaderen de patiënt meestal zelf niet. Doen ze dat wel en verwijzen ze door naar de GGZ, dan wordt er lang niet altijd teruggekoppeld. Dat is ontmoedigend. De kracht van mijn functie is, denk ik, dat ik altijd het contact blijf zoeken. Ik ben een belangeloze partij die meedenkt en het heel graag goed wil regelen tussen de zorg en de patiënt. Dat geeft aan twee kanten vertrouwen.’

8.  Wat kan er beter aan de hulpverlening?

‘Je hoort de laatste tijd dat mensen niet doorverwezen willen worden vanwege het eigen risico van € 360. Aan de andere kant zijn er door bezuinigingen voor de tweedelijns GGZ toch langere wachtlijsten ontstaan. Bij het zoeken naar de juiste zorg  worden patiënten door verschillende hulpverleners gezien en moeten ze vaak drie, vier keer hun verhaal doen, wat echt heel vervelend is en een reden kan zijn om alsnog af te haken. Dit staat natuurlijk haaks op ons streven mensen naar passende zorg te begeleiden.’

9.  En als het gaat om familie en partners?

‘Een belangrijk punt. Een zelfmoordpoging is ook voor familie en naasten iets heel ingrijpends. Vaak blijven ze zitten met de vraag: hoe kon dit gebeuren? Had ik het aan kunnen zien komen? Soms voelen ze zich ook schuldig. Het is moeilijk om los te laten, om te vertrouwen dat het niet nog een keer gebeurt. Waar dit mogelijk is, zal ik altijd proberen de problematiek in de naaste omgeving bespreekbaar te maken. Een goed sociaal netwerk is een van de belangrijkste beschermende factoren.

Aan de andere kant zijn er mensen die in dezelfde eenzaamheid terechtkomen als waar ze uit hadden willen vluchten, doordat er geen contact is met de familie of dat er wel contact is, maar nergens over wordt gepraat. Soms weten de familie en de naasten niet eens van de zelfmoordpoging.’

10.  Is er nog veel taboe op zelfmoord?

‘O ja. Er zijn zoveel mensen die het onderwerp mijden of eromheen praten. Zelfs sommige praktijkondersteuners bij de huisarts vinden het lastig, heb ik gemerkt. Ze vinden het, denk ik, te confronterend of zijn bang het verkeerd te doen. ‘Een van mijn taken is juist het taboe te doorbreken. Een gewone vraag is voor betrokkenen veel minder belastend dan dat mensen op hun tenen om hen heen lopen of hen mijden. Zelf vraag ik altijd. “Heb je de laatste tijd nog aan de dood gedacht.” Je merkt hoeveel opluchting dat kan geven. Eindelijk iemand die het vraagt.