Zoeken in GGD Amsterdam
Pad tot huidige pagina
Verbergen
De GGD richt zich op alle inwoners van Amsterdam,­ Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn.

Twee ervaringsdeskundigen over casemanagement

5 december 2014

Op deze pagina - Twee ervaringsdeskundigen over casemanagement


hands reaching out

'Je hebt het gevoel dat iemand meekijkt en meedenkt'

De formule van casemanagement aan suïcidepogers is simpel. Een professional houdt contact in de eerste zes maanden na een poging. Zij stimuleert, motiveert en leidt toe naar geadviseerde zorg. Wat vinden betrokkenen van de begeleiding?

José is 52. Ze woont in een modern ingericht huis aan het einde van een lichte straat die naar het IJ toe loopt. Alles keurig en rustig. Afgelopen zomer kwam José in het OLVG terecht na een overdosis pillen. Ze is niet geheimzinnig over de toedracht, die een aanloop had van ruim een jaar. Het begon met ruzie op het werk en ging verder met een hernia, het uitvliegen van haar dochter, de baan die was teruggebracht tot halve dagen… en dag en nacht een snijdende pijn in rug en been. Dyclofenac, paracetamol, tramadol, niets bood soelaas, of het moest de drank zijn die steeds vroeger in de middag op tafel kwam. Tot ze het middel oxycodon ontdekte, en er ongemerkt verslaafd aan raakte.

Oxycodon

Het was niet de huisarts, maar de apotheeker die José hielp om af te kicken. Een klassieke cold turkey, met wekenlang beven en overgeven. Voor de pijn zocht ze daarna hulp op een pijnpoli, voor de drank ging ze naar de Jellinek, voor de psychische problemen die steeds erger werden, naar de therapeut. José streed, kortom, maar achter elk lichtpuntje doemde steeds weer drama op. Een heftige ruzie met een nieuwe liefde werd haar te veel. ‘Ik was al nooit goed in relaties,’ vertelt ze, ‘nu barstte mijn hoofd bijna uit elkaar. Ik kon er niet meer tegen. Ik had nog een hoop oxycodon in de la. Heel bewust en redelijk nuchter heb ik daar twee bakjes van gemaakt. Ik spoelde een bakje met wijn zo achterover.’

Tweede bakje

Van het tweede bakje is het nooit gekomen. De volgende ochtend, in hevige nood, heeft José zelf de dokter gebeld en is naar de spoedeisende hulp van het OLVG gebracht. Hiervan herinnert ze zich vooral de verwarde gedachten en een immense vermoeidheid. Na ongeveer een week kwam casemanager Monique van Raan in beeld. José: ‘Ik vond het fijn dat ze belde, maar ook wel eng. Ineens stond ergens in een dossier dat ik een zelfmoordpoging had gedaan! Mijn moeder, mijn zus en mijn dochter wisten het niet eens. Dat was tegelijk het prettige, dat ik op een veilige manier mijn hart kon luchten. De paar vrienden die het wisten, hadden er na twee weken al geen oren meer naar, Monique bleef luisteren.’

Geruststellend

Wat ik verder prettig vond, was dat ik het gevoel had te worden ondersteund en geholpen. Dat was op een of andere manier geruststellend. Iemand die over je schouder meekijkt en meedenkt over passende hulp. Het waren simpele dingen. Of ik een plan had bijvoorbeeld, voor als ik weer suïcidaal zou zijn. Ze belt me straks nog één keer. Ik ben blij dat ik therapie heb op dit moment, anders zou ik in een gigantisch gat gevallen zijn.’

Schreeuw om aandacht

Ook de ervaringen van Arjen zijn positief. Hij moest begin dit jaar met zijn 11-jarige dochter Noa naar het ziekenhuis nadat zij een hele strip paracetamol had geslikt. Ze wilde niet echt uit het leven stappen, is Arjens overtuiging, het was een schreeuw om aandacht. Noa had moeite met de scheiding van haar ouders en praatte daar moeilijk over. Ze was al eens voor gesprekken bij De Bascule geweest. Op een avond werd ze na een ruzie met haar oudere broertje door een boze vader naar haar kamer gestuurd. ‘Al snel vertrouwde ik het niet,’ zegt Arjen, die al eerder Noa’s interesse voor het medicijnkastje had opgemerkt. ‘Toen ik op haar kamer kwam, zag ik de strip in de prullenbak.’

Klankbord

Noa bleef twee dagen in het ziekenhuis. Er kwam een kinderpsycholoog, die adviseerde de gesprekken bij De Bascule voort te zetten. Iedereen was erg geschrokken. ‘Monique belde vrij snel,’ herinnert Arjen zich. ‘Ze probeerde zich een beeld te vormen, vroeg welke stappen we hadden genomen, ondersteunde me daarin. Heel zinvol, vond ik, een bevestiging dat je doet wat je moet doen.’      ‘Twee weken later belde ze om te checken of het traject echt in gang was gezet. Wat me opviel was dat ze steeds doorvroeg en echt precies wilde weten hoe het zat. Ze was als een klankbord voor mij, heel prettig. Het is toch heftig en onwerkelijk wat er gebeurt. Je kunt wel wat steun gebruiken. Net als simpele adviezen, trouwens. Zo had Monique me aangeraden af en toe iets samen te doen, iets ongevaarlijk zoals aardappelen schillen, en dan een klein gesprekje te voeren. Dat werkte best.’

Rol in het gezin

‘Wat er verder veranderd is: ik kijk beter, ben voorzichtiger, houd Noa scherper in de gaten. En ik ga anders met haar boosheid om, zoals me is aangeraden. Ze heeft er recht op om even alleen op haar kamer te zijn en af te koelen. Ik geef haar meer ruimte, meer tijd.’                                         Helemaal gerust is Arjen niet. ‘Het gaat nu redelijk goed met Noa, ook doordat ze een jaartje overdoet op school. Maar wat gebeurt er als er weer spanning zou zijn? Wat ik mis in de hulpverlening van De Bascule is de aandacht voor de rol van Noa binnen het gezin. Gesprekken met ouders worden niet apart door de verzekering gefaciliteerd. Ik vind dat een gemiste kans. In het casemanagement daarentegen heb ik niets gemist. Het is, denk ik, vooral goed dat één persoon de situatie overziet en controleert.’