Zoeken in GGD Amsterdam
Pad tot huidige pagina
Verbergen
De GGD richt zich op alle inwoners van Amsterdam,­ Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn.

Wat wordt er beoordeeld

17 oktober 2014

Kinderopvang en peuterspeelzalen moeten aan wettelijke kwaliteitseisen voldoen op verschillende gebieden. De GGD beoordeelt of een kindercentrum aan deze kwaliteitseisen voldoet.

Daarbij wordt ook gekeken naar de beleidsvoering van de houder; hoe het personeel wordt aangestuurd en het beleid wordt geïmplementeerd.

De toezichthouder gebruikt verschillende middelen om tot een oordeel te komen zoals het toetsen van het beleid en de uitvoering hiervan, het doen van observaties in de groepen en gesprekken voeren met de medewerkers.

Hieronder wordt per domein kort beschreven wat er wordt beoordeeld bij een inspectieonderzoek.

Het pedagogisch klimaat

De pedagogische kwaliteit is de basis van verantwoorde kinderopvang. Hoe medewerkers met kinderen omgaan is een voorwaarde voor het bieden van een verantwoorde en veilige opvang. Houders moeten het pedagogisch beleid van hun organisatie vastleggen in een pedagogisch

beleidsplan. Daarmee wordt voor ouders inzichtelijk hoe de beroepskrachten met de kinderen omgaan en waarom zij dat op die manier doen. Het pedagogisch beleidsplan is dan ook een belangrijke toetssteen voor ouders als het gaat om kwaliteit.

In het plan moet in duidelijke en observeerbare termen beschreven zijn hoe aan de vier basisdoelen uit de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen vorm wordt gegeven in de praktijk. Die basisdoelen zijn:

  • sociaal-emotionele veiligheid
  • sociale competenties
  • persoonlijke competenties
  • overdracht van normen en waarden

Tijdens het onderzoek op locatie beoordeelt de toezichthouder de pedagogische praktijk in het kindercentrum. De toezichthouder onderzoekt of de beroepskrachten het pedagogisch beleidsplan kennen en in praktijk brengen door met hen in gesprek te gaan en in de groepen te observeren.

Voorschoolse educatie

Met voorschoolse educatie wordt de (taal)ontwikkeling gestimuleerd van kinderen met een risico van (taal)achterstand. Peuterspeelzalen en kindercentra die voorschoolse educatie bieden, worden getoetst op de uitvoering van deze voorschoolse educatie. De landelijke basiskwaliteitseisen voor voorschoolse educatie betreffen de volgende onderwerpen:

  • de omvang van de voorschoolse educatie (minimaal aantal uren per week);
  • het aantal beroepskrachten en groepsgrootte;
  • de kwaliteit van beroepskrachten (opleiding gericht op voorschoolse educatie en onderhoud van kennis en vaardigheden tijdens het werk);
  • het gebruik van een voorschools educatieprogramma

Gemeente Amsterdam stelt extra eisen aan peuterspeelzalen en kindercentra die een gesubsidieerd programma voor voorschoolse educatie aanbieden. Deze aanvullende voorschriften zijn omschreven in het Kwaliteitskader Voor- en Vroegschoolse educatie Amsterdam 2010-2014 en vastgelegd in de Verordening kwaliteitseisen peuterspeelzalen en voorschoolse educatie.

De aanvullende voorwaarden omtrent de voorschoolse educatie hebben onder andere betrekking op de rol en de betrokkenheid van ouders bij de uitvoering van het voorschoolprogramma, de doorgaande lijn en de samenwerking met de basisschool en de uitvoering van de voorschoolse educatie in de praktijk.

Personeel en opvang in groepen

Gekwalificeerd en voldoende personeel is één van de belangrijkste voorwaarden voor een kwalitatieve kinderopvang. Er zijn kwaliteitseisen gesteld aan de personen die werken op een kindercentrum. Zo moet iedere persoon een verklaring omtrent het gedrag (VOG) hebben, moeten pedagogisch medewerkers een diploma hebben, en moet duidelijk zijn hoe medewerkers in opleiding worden ingezet op de groepen.

De GGD beoordeelt of de individuele medewerkers voldoen aan de eisen, maar ook of er voldoende beroepskrachten zijn voor het aantal kinderen dat wordt opgevangen (de beroepskracht-kind-ratio). Om de kwaliteit zo veel mogelijk te waarborgen en risico’s te beperken is het essentieel dat het aantal kinderen dat wordt opgevangen in verhouding is met het aantal beroepskrachten. Ook is een vertrouwde omgeving voor kinderen van belang. Daarom moeten kindercentra als basis vaste groepen kinderen hebben met vaste beroepskrachten. Aan de hand van inspectieonderzoek op locatie en de werkroosters van het personeel, presentielijsten en plaatsingslijsten wordt beoordeeld of kinderen een vaste stamgroep hebben en of er voldoende personeel wordt ingezet voor het aantal aanwezige kinderen.

Veiligheid en gezondheid

Is er sprake van een voldoende veilige en gezonde omgeving voor kinderen? Een houder is verantwoordelijk voor het maken van een risico-inventarisatie die aansluit bij de praktijk, de leeftijd van de op te vangen kinderen en de accommodatie. Hierin worden de veiligheids- en gezondheidsrisico’s in het kindercentrum beschreven en de maatregelen die worden genomen om deze risico’s te verkleinen of uit te sluiten. Om de maatregelen duidelijk en inzichtelijk te maken voor het personeel worden deze opgenomen in protocollen of werkinstructies.

De risico-inventarisatie beschrijft (in ieder geval) veiligheidsrisico’s op de thema’s: verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verstikking, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden. De risico-inventarisatie beschrijft (in ieder geval) gezondheidsrisico’s op de thema’s: ziektekiemen, binnenmilieu, buitenmilieu en medisch handelen.

Een houder heeft ook een eigen verantwoordelijkheid voor het signaleren van kindermishandeling. En voor het ondernemen van actie als dit wordt signaleert. In een meldcode moet vastgelegd zijn hoe medewerkers moeten handelen bij een vermoeden van kindermishandeling.

De houder houdt een overzicht bij van de ongevallen die zich hebben voorgedaan en een beschrijving hiervan alsmede een overzicht van maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.

Ruimte en inrichting

De GGD beoordeelt niet alleen of er voldoende ruimte is voor de kinderen om te kunnen spelen, maar ook of deze passend is ingericht voor het aantal en de leeftijd van de kinderen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de indeling van de groepen, de slaapruimte, maar ook het assortiment aan speelgoed voor verschillende ontwikkelingsgebieden en mogelijkheden tot ontspanning.

Ouderrecht

De GGD beoordeelt of ouders voldoende worden geïnformeerd over het beleid dat het kindercentrum voert. De informatie aan ouders moet aan een aantal voorwaarden voldoen.

Om te kunnen beoordelen of ouders inspraak hebben wordt er gekeken of er een oudercommissie is ingesteld. De oudercommissie moet in staat gesteld worden om (ongevraagd) advies uit te brengen over het beleid van het kindercentrum. Wanneer een houder beleid wil wijzigen moet dit eerst ter advies worden voorgelegd aan de oudercommissie.

Wanneer ouders niet tevreden zijn over de kinderopvang moeten zij een klacht in kunnen dienen. De houder moet een klachtenregeling voor ouders hebben en aangesloten zijn bij een onafhankelijke klachtencommissie. Voor de oudercommissie moet er een aparte klachtenregeling zijn. Jaarlijks stelt de houder een jaarverslag klachten op die voor 1 juni van dat jaar aan de toezichthouder verstuurd moet worden.