Groepen voor nabestaanden? Essentieel!

3 december 2018

Maria Hoeffnagel, werkzaam bij Prezens, is groepsleider van groepen voor nabestaanden. Vanaf het begin van het project werkt Prezens samen met de GGD. Wij stelden aan haar 5 vragen over haar ervaringen in het werkveld van suïcidepreventie.

1.  Wat is uw band met de Amsterdamse aanpak suïcidepreventie?
Ik werk veel en nauw samen met GGD Amsterdam in het kader van deze aanpak; vanuit preventie van Prezens (onderdeel van GGZ inGeest) hebben we ook structureel contact met Lyna Polikar, de coördinator suïcidebeleid van de GGD. Sebnem Cim, preventiewerker bij Arkin, en ik overleggen een paar keer per jaar met Lyna Polikar over de voortgang en ontwikkelingen.

Een aantal jaren geleden zijn wij ook gezamenlijk opgetrokken om  folder te maken over mogelijkheden voor ondersteuning voor nabestaanden na zelfdoding in Amsterdam en omgeving.
Daarnaast begeleid ik, met Sebnem, groepen nabestaanden na zelfdoding. Bij Prezens doe ik dit samen met mijn collega Agaath Drost.


2.  Hoe heeft u de periode als groepsleider van de groepen voor nabestaanden ervaren?
Nabestaanden hebben een verhoogde risico om zelf ook suïcide te plegen. Daarom bieden we vanuit preventie ondersteuning aan deze doelgroep. Als begeleider van deze  groepen merk ik dat het bieden van deze hulp zeer zinvol is.
Het geeft voldoening om nabestaanden, die hun weg moeten vinden in het verwerkingsproces, een steuntje in de rug te kunnen geven. Het verdriet mag er zijn, wij zijn er om te steunen.
Deelnemers aan de ondersteuningsgroepen vinden ook herkenning bij elkaar. Naast het delen van ervaringen, de herkenning, is het verwerven van inzichten en handvatten minstens zo belangrijk.


3.   Dergelijke groepen zijn dus belangrijk?
Absoluut! Nabestaande moeten manieren vinden om met hun leven door te gaan en het verdriet te kunnen dragen. Wij bieden hen steun om het ingrijpende verlies van een dierbare door zelfdoding, te verwerken.  
De groepsleden herkennen elkaars situatie en putten moed uit contact met anderen in een vergelijkbare situatie. Het vinden van herkenning. Het bespreekbaar maken van het overlijden van een dierbare door zelfdoding, maar ook bespreekbaar maken van emoties en gedachten over de zelfdoding.

De ondersteuningsgroep is zoveel meer dan een lotgenotengroep: de leden krijgen inzichten en handvatten om het verlies te kunnen dragen, verder te komen in het rouwproces. Dat maakt deze groepen essentieel voor nabestaanden.


4.   Wat vindt u in het algemeen van de Amsterdamse aanpak suïcidepreventie?
De GGD trainingen over suïcidaliteit, het denken over zelfdoding en dit bespreekbaar maken zijn heel belangrijk. Ik kan me helemaal vinden in de Amsterdamse aanpak en de resultaten spreken voor zich: geestelijke nood is bespreekbaar en mensen (her)kennen de GGD ook als supporter in deze kwestie. 
Bij GGZ inGeest bieden we ook een cursus ‘Hoe overleef ik mijn doodsgedachten’ voor cliënten, gegeven door een geestelijk verzorger en ervaringsdeskundige.

5.   Welke aanbeveling(en) heeft u voor het Amsterdamse team       Suïcidepreventie?
Suïcidaliteit nog meer bespreekbaar maken en zorgen voor goede hulp voor mensen, die een suïcidepoging hebben gedaan. Dat zijn voor mij de belangrijkste pijlers van de Amsterdamse aanpak. Dit moet vooral zo doorgaan!
Onze krachten blijven bundelen: nauw blijven samenwerken en elkaar geregeld informeren om de suïcidepreventie op peil te houden en nog zichtbaarder te maken voor mensen in nood.