Lees verder: In 1850 wilde u echt hier niet wonen

Stinkende straten

Vanuit diverse uithoeken in Nederland trok men massaal naar Amsterdam, want daar was door de opkomst van de fabrieken ten minste werk. Veel geld hadden ze niet, maar vaak wel veel kinderen. En iedereen moest ergens wonen. Panden werden opgedeeld om er zoveel mogelijk mensen te laten wonen. Ze woonden in tochtige oude krotten, op zolders, in kelders, in gangen, in stinkende en smalle stegen. Zó smal, dat de zon er niet meer scheen.

Eenheidsworst

‘Hutje mutje’ wonen in een één-kamerwoning met het hele gezin, inclusief de poepdoos. Tot begin 1900 waren huisjes namelijk niet aangesloten op de riolering. Een groot deel van het salaris ging op aan huur, dus er was maar weinig geld voor gezond eten. Het wemelde van de ziektes en epidemieën.
Een beetje uit eigenbelang wilden de rijke gegoede ondernemers iets doen aan de woonellende, want de werknemers meldden zich ziek of gingen dood, maar vooral omdat het echt té treurig was. Er werden speciaal goedkope woningen gebouwd voor arbeiders. Snel en veel - onder andere in de Pijp en in de Dapperbuurt - en soms ook ronduit slecht. Huizen stortten soms al in tijdens de bouw. Men sprak er schande van. En het waren ook geen mooie woningen: eenheidsworst.

De landelijke Woningwet en Gezondheidswet

De landelijke Woningwet en Gezondheidswet die in 1902 van kracht werd, moest voor eens en voor altijd een einde maken aan de miserabele woonomstandigheden. Nederland is hier beroemd om, want we waren het eerste land dat deze wet opstelde. De eerste woningwetwoningen kwamen in de Van Beuningenstraat en de Van Boetzelaerstraat. Oude één-kamerwoningen werden gesloopt, samengevoegd of gerenoveerd. Er kwam een toilet, een douche en een keuken. Wat een luxe!

Lees het volledige artikel op de website van de gemeente Amsterdam.